Lieve Christa Noëlla,

Mijn donkere moeder liep vroeger, in een overwegend blank dorp, met mij over straat. Een ieder die in de kinderwagen keek kon het zien: een blank kind met blauwe ogen (ja echt…) en pikzwart haar. De gemiddelde Nederlandse baby heeft geen zwart haar, maar is wel blank met blauwe ogen. Omdat mijn moeder een donkere huidskleur heeft zei de gemiddelde babybewonderaar in het plaatsje Wezep: “Is dat je oppaskind?”. Dat ik geen oppaskindje was mocht blijken toen ik ouder werd. Mijn ogen en huid werden donkerder, maar mijn haren veranderden van zwart naar kastanjebruin. We verhuisden naar Dronten, een CDA-stemmend dorp. Niks mis mee en zeker niet als je nog maar twee jaar oud bent en nog geen weet hebt van politieke spelletjes.

In Dronten ging ik naar de peuterspeelzaal. Dat de blonde meisjes van de peuterspeelzaal nog niet gewend waren aan een halfbloedje als ik, werd duidelijk toen ik steevast niet mee mocht doen. “Waarom mag ik niet meespelen?” hoor ik mijn drie-jarige zelf nog huilend vragen, “omdat je geen blond haar hebt en wij wel. Dat past niet bij elkaar.”

“Mama, waar hoor ik nou bij?”

Voor de blonde Nederlandse meisjes op de peuterspeelzaal was ik een buitenstaander, maar op jonge leeftijd paste ik ook niet tussen de allochtonen. In mijn straat woonden met uitzondering van mijzelf en een buurjongen, slechts Nederlandse kinderen, die mij wel accepteerden. Ik woonde in een blanke wijk, met overwegend blanke kinderen en mijn huidskleur was alleen in de zomer iets donkerder dan die van hen, mijn vader had een goede baan en mijn moeder zorgde voor koekjes en limonade na schooltijd. Ik had dezelfde ‘status’. Maar wanneer ik contact probeerde te maken met buitenlandse kinderen, werd ik 9/10 keer uitgemaakt voor ‘kut-Nederlander’ of ‘kaaskop’. Ik was nogal een jankerd, dus ik rende naar huis en vroeg aan mijn moeder: “mama, waar hoor ik nou bij?!”

Mijn moeder kwam dan aanzetten met de familiestamboom. Iets met koloniale voorvaderen uit Schotland en Italië, handelaren uit China en stamvrouwen uit Papoea-Nieuw-Guinea. Om mijn sociale status nog verwarrender te maken: ik bleek af te stammen van een Schotse adellijke familie en bosvrouwen uit Papoea-Nieuw-Guinea. En dan was er natuurlijk nog mijn 100% Nederlandse vader. Ik was een mengelmoes van verschillende sociale lagen uit de wereldbevolking, verschillende stammen en verschillende afkomsten. Ik was een wandelende melting-potcultuur.

“Weten ze wel dat ik donker ben?”

Toen ik naar de middelbare school ging leerde ik veel nieuwe mensen kennen. Als ik een nieuwe vriendin had gemaakt of toen ik mijn eerste vriendje mee naar huis wilde nemen vroeg mijn moeder altijd: “weten ze wel dat ik donker ben? Ik zie zo vaak schrik in de ogen als ze zien dat zo’n blank meisje een donkere moeder heeft”. Ik vond dat een rare vraag, inmiddels was ik oud genoeg om te begrijpen dat een huidskleur echt niet zou moeten uitmaken voor wat mensen van je vinden. Ik had geleerd met zowel mijn buitenlandse als Nederlandse roots contact te maken en had mezelf, net als mijn moeder, trucjes aan geleerd hoe ik binnen elke bevolkingsgroep kon meekomen. Ik zei haar vaak: “Ach mam, dat boeit echt niet.”

Naar buiten toe identificeer ik mij als Nederlander, maar van binnen heb ik feeling met van alles. Mijn moeder kookte de ene dag Papoea gerechten, maar liet mij ook genieten van haar stamppot boerenkool. Ze vierde sinterklaas met ons als papa op zee was (mijn vader vaart voor Maersk) en leerde ons al vroeg lezen in zowel het Nederlands als het Engels. Zij leerde mij en mijn zusje dansen zoals in onze buitenlandse familiedansgroep en liet ons foto’s zien van de familiegronden in Papoea-Nieuw-Guinea. Lange tijd dacht ik dat het geen probleem was om mij voornamelijk Nederlands te voelen en de leuke dingen van andere culturen in mij mee te pakken.

Maar helaas voel ik mij door recente gebeurtenissen als Brussel, Parijs en Istanboel opnieuw in een soort vacuüm gedrukt. Wanneer je je drukker maakt om Brussel en Parijs dan om Istanboel en wanneer je op 4 mei denkt aan WOII-slachtoffers en niet aan misdaden van onze koloniale voorouders dan ben je een racist en een hypocriet. Ik wil niet het gevoel hebben dat ik vloek als ik als allochtoon zeg: “ik voel me Nederlander,” maar ik wil het ook niet verbergen. Ik wil een oranje shirtje aan als het Nederlands elftal moet voetballen en ik wil sinterklaas vieren, zonder dat andere allochtonen denken dat ik mijn buitenlandse afkomst verloochen. Want dat doe ik niet.

4mei

Christa Noëlla startte de hastag #geen4meivoormij op twitter en facebook

Zo zag ik gisteren jouw kreet waarin je oproept om de dodenherdenking op 4 mei te boycotten. Waarom? Omdat de blanke man op 4 mei alleen denkt aan WOII-slachtoffers en vergeet te denken aan de slachtoffers van Indonesische of Afrikaanse afkomst die gemaakt zijn door blanke voorouders in het koloniale tijdperk. Direct word ik woedend op je. 4 Mei is bedoeld voor ALLE SLACHTOFFERS van ELKE OORLOG OOIT. Waarom moet ik mij een hypocriet voelen als ik op 4 mei wil denken aan slachtoffers van MH-17 of Brussel en Parijs, simpelweg omdat ik met deze groep Nederlanders of Europeanen meer feeling heb dan met slachtoffers uit Istanboel of erger: mijn eigen voorouders in Papoea die zijn vermoord door mijn andere blanke koloniale voorouders? Jij mag van mij denken aan omgekomen Joden of verzetsstrijders in WOII en als je dat niet wilt, dan mag je van mij aan iets anders denken: een groep waarmee jij je identificeert, Syrische vluchtelingen, Istanboel of je eigen voorouders.

Lieve Christa, je bedoelt het vast goed maar ik wil iets tegen je zeggen:

Ik heb geleerd dat we nu eenmaal leven in een wereld waarin melting-pots zoals ik geen plekje hebben. Zelfs ik, als ultieme mengelmoes, voel me Nederlander. Niet omdat ik daar bewust voor kies, maar door het land waarin ik ben opgegroeid, de programma’s die ik op TV heb gezien, de manier waarop mijn ouders mij hebben opgevoed (incl. pakjesavond en versierde fiets op Koninginnedag) en dus denk ik aan Nederlandse slachtoffers en laat ik een traantje om Brussel en Parijs. Ik kan niet overal bij stilstaan, niemand kan dat en het is onmenselijk om dat te verlangen. Ik denk aan Brussel, maar dat betekent niet dat je jouw verdriet niet bij mij kwijt kunt. Ik wil luisteren, ik wil het horen, maar niet als je naar me schreeuwt. Anderen hypocriet noemen omdat zij zich meer identificeren met de een dan met de ander, een andere cultuur aanhangen en stilstaan bij andere nieuwsgebeurtenissen, is even kinderachtig als zeggen: “jij hebt mijn zandkasteel kapot gemaakt en nu mag je niet meer op mijn kinderfeestje komen”. Je drukt niet alleen de ander in een hokje, maar uiteindelijk vooral jezelf. Een heel negatief hokje.

Ik zelf neem het de blonde peutermeisjes en de allochtonen uit de speeltuin niet meer kwalijk. Vroeger moest ik huilen, maar tegenwoordig denk ik: “het is normaal Jade, het hoort erbij”. Ik voel me Nederlander, maar eet de nasi van mijn moeder alsof het boerenkool met worst is. En ik ben blij en zelfs een beetje trots dat dat mag. Nog niet iedereen kan zijn zoals ik en dat ga ik accepteren. Nog nooit heb ik tegen mijn Nederlandse vriendinnen gezegd dat zij moeten kijken naar nieuwsberichten over burgeroorlogen in Papoea als zij treurden om een gebeurtenis hier in Nederland of mijn Nederlandse buurman gestraft voor de daden van zijn koloniale voorvaderen. Een vriend van mij zei hierover gisteren: “het is als het ware heel raar haantjes gedrag. ‘Mijn piemel is groter dan jouw piemel, geef mij aandacht’ “. En zo is het. Als je wilt bereiken dat ‘wij’ begrip hebben voor ‘jou’ dan denk je al in groepjes en in de melting-pot waar jij naar streeft, zijn er geen groepjes. Daar zijn we allemaal ‘iedereen’. Dat is een nobel streven en ik vind het dapper dat je daarvoor opstaat, maar dat bereik je niet door met de beschuldigende vinger te wijzen. Sowieso is het lastig om een melting-potcultuur te creëren. Maar laten we het proberen en in de tussentijd accepteren dat we het nog niet bereikt hebben, we leven nu eenmaal in groepen naast elkaar en dat hoeft niet erg te zijn. Een goed bedoelde en vooral zachte dag als 4 mei in deze keiharde maatschappij, hoeft niet van ‘mijn groep’ of van ‘jouw groep’ te zijn. We kunnen het delen, want mijn verdriet is niet groter dan dat van jou en omgekeerd. Jij denkt aan jouw leed en ik aan het mijne. Misschien kunnen we naderhand een kop thee drinken en erover praten, huilen misschien zelfs en daarna samen op 5 mei vieren dat we aan welke tirannie dan ook ontsnapt zijn, jij aan het jouwe en ik aan het mijne.