In deze rubriek genaamd Van Unnik Praat krijgen onze geliefde, en soms gevreesde, docenten de kans zich te uiten over uiteenlopende zaken, net zoals wij dat als redactie doen. Het kan gaan over de UU, over politiek, over wetenschap, over Sinterklaas, over chocola of over… ons, de SG&PL studenten. Vandaag presenteren wij: Anne van Wijk met een ode aan het ‘van Unnik’ gebouw.

Hoe lang zal deze column nog de ‘Van Unnikpraat’ heten? Lezen we straks de Koningsbergerpraat? Binnenkort sluit het Van Unnik haar deuren, misschien wel voorgoed. Nadat al ’t onderwijs is verplaatst, zullen ook docenten eraan moeten geloven; verhuizen naar een nieuw kantoor. Ik zie het als een schone taak om een paar van mijn herinneringen aan dit gebouw – ‘t thuishonk van SGPL – op te schrijven.

Als bachelorstudent SGPL bezocht ik er trouw vele colleges. Eén van mijn eerste spectaculaire ervaringen in het gebouw was tijdens de introweek van de VUGS; we moesten zo snel mogelijk met de trap van de begane grond naar de bovenste verdieping rennen; 42 trappen hoog. Ik was trots dat ik het überhaupt haalde. Buiten dat het trappenhuis spectaculair is, vond ik het gebouw vreselijk troosteloos en saai. Desondanks proefde ik in ’t van Unnik altijd wel de geschiedenis en betekenis van deze plaats; hier zijn geografen groot gebracht, dacht ik. Maar ik had nooit kunnen bedenken dat ik nu, als docent, 32 uren in mijn week door zou brengen op misschien nog wel de meest sfeerloze laag van dit gebouw: de derde verdieping.

Wie wel eens op de derde verdieping college heeft gehad of er om een andere reden heeft rondgedwaald, begrijpt waar ik het over heb. De vreselijke TL-verlichting die er zo niet subtiel is neergehangen, de lelijke linoleum vloer uit de jaren zestig, en dan nog die muffige geur die er altijd hangt… In tegenstelling tot de vierde verdieping waar de afdeling facility management nog enigszins moeite heeft gedaan om de boel een beetje op te leuken; met een nieuw laagje verf en een strakke groene vloerbedekking. Onder junior docenten heerst concurrentie als het gaat om een kantoorplek op de vierde. Degenen die het net niet hebben gered en op de derde zijn blijven steken, zijn toch een beetje de achtergebleven stakkers. Maar wij hebben Jos die iedere dag fluitend of zingend over de gangen loopt en Leo wiens deur altijd open staat; als je daar langsloopt is het altijd weer een verrassing of hij staand of zittend aan het werken is aan zijn bureau. Hoe dan ook; de mensen máken de verdieping.

De overgang van mijn studietijd naar het ‘werkende leven’ was toch wel even wennen; niet langer kwam ik af en aan in de lokalen en kamers van ’t Unnik; nu zat ik er vast op kantoor, soms hele, onafgebroken dagen. In die eerste maanden als judo betrapte ik mezelf op een patroon: de eerste werkdagen vanaf maandagochtend gingen prima, maar standaard op de donderdagmiddag, meestal rond 15:00, lukte het niet langer om de concentratieboog gespannen te houden. Een soort biologisch werkritme.  De enige oplossing; even achter dat bureau vandaan. Blijkbaar was ik niet de enige; zo kwam ik collega Vincent al koekjes etend tegen tijdens een plezierwandelingetje over de zesde verdieping. Toen kwamen we op het grandioze idee om trap te gaan lopen. Even wat extra lichaamsbeweging doet een mens goed; hop, van verdieping tien naar 21 en weer terug. Met pompend hart, een versnelde bloedcirculatie én wat extra endorfine konden we daarna weer fris aan het werk. Na een paar weken besloot ik de vaste trappenklim naar een hoger niveau te tillen; we organiseerden een heuse trap-loop-wedstrijd. Zo hard mogelijk van tien naar 21. Heel officieel met iemand boven en iemand beneden met een stopwatch. Vier judo’s namen het reeds tegen elkaar op in deze befaamde race, met Ruud Bosch als onbetwiste winnaar met 32,57 seconden. Wie hem nog durft uit te dagen voor we definitief dit gebouw uit moeten is een held J

Maar het leven trekt langzaam weg uit het gebouw; in de tijd dat ik er werk heb ik meegemaakt hoe de bovenste helft van het gebouw is leeggeruimd. De enige manier om überhaupt nog op de 21e verdieping te komen is door de trap te nemen; de lift gaat nog maar tot 11. Over een tijd kijken we met weemoed terug op ons goeie ouwe stekkie:

Het Van Unnikgebouw in haar gloriedagen, waar we hebben zwoegden, koffie dronken, vrienden maakten, zweetten boven tentamens en in computerpractica. Waar velen hun oriëntatie kwijtraakten bij ’t uitstappen van de lift (moet ik nou links of rechts?). Hoe sierlijk de laatste jaren in haar groene jas, beschermend tegen de vallende stukken gevel en betongruis, dat na bijna 50 jaar loskomt van hun plek op de torenhoge gevel. Stormen, regen en valwinden doorstaan, maar niet veel langer. Hoe gezellig de aanwezigheid van onze kleine kantoorvrienden, die al trippelend uit onverwachte hoek langs de plinten schieten en verdwijnen in de verwarming. Waar kantoren altijd óf ijskoud of véél te warm en benauwd zijn. Het Van Unnik met al haar charmes. Mooier is ze er in haar laatste jaren niet op geworden. Wat is haar lot? Sloop of restauratie?

We ruilen het straks in tegen een gloednieuw gebouw, strak, feilloos, modern. Maar ook een gebouw dat nog niet geleefd is, een gebouw zonder ziel…